Jozef krijgt berichten over zijn land, vooral over de provincie Judea. Hij verneemt dat Archelaüs, de zoon van Herodes, zijn vader heeft opgevolgd. Deze politieke ontwikkeling stelt hem niet gerust en hij overweegt zijn terugkeer uit te stellen. Een vierde openbaring brengt hem er echter toe zijn plannen te wijzigen.
De engel waarschuwt hem opnieuw in een droom: hij moet niet naar de omgeving van Betlehem gaan, maar naar Galilea en zich in zijn geboortedorp vestigen.
Aanvankelijk was het gezin niet van plan naar deze plaats terug te keren, maar het besluit de aanwijzingen van de engel op te volgen. Diens raad was eerder waardevol gebleken; er was dus geen reden nu te twijfelen.
Het besluit staat vast: zij keren naar Nazaret terug.
In dit verhaal zien wij hoe Matteüs zijn betoog opbouwt door te benadrukken dat de Messias ‘Nazoreeër’ zal worden genoemd.
De teksten geven geen uitdrukkelijk citaat dat aan één bepaalde profeet kan worden toegeschreven. Dat verklaart waarschijnlijk waarom Matteüs het meervoud gebruikt: de profeten. Jesaja noemt (11.1) uitdrukkingen als ‘wortels’ en ‘scheut’, die op Nazaret zouden kunnen wijzen. Het Hebreeuwse woord ‘neser’, vertaald als ‘scheut’, heeft namelijk dezelfde medeklinkers als Nazoreeër.
Herodes Antipas, een andere zoon van Herodes, bestuurde Galilea.