De Messias Jezus en zijn leerlingen blijven in de omgeving van Kafarnaüm, meer bepaald aan de oevers van het . Hier zien wij het succes van zijn prediking. Volgens Marcus vraagt hij zijn leerlingen een bootje voor hem gereed te houden, zodat de menigte hem niet verdringt. De vruchteloze conflicten met de godsdienstige leiders zijn ver weg; de menigte ziet in de Messias Jezus nu een grote bevrijder.
Gezien deze gebeurtenissen is de houding van de godsdienstige leiders moeilijk te begrijpen: zij konden Gods handelen onmogelijk ontkennen. Hun verantwoordelijkheid is groot, want zij verzetten zich opzettelijk tegen Gods werk, terwijl zij geacht worden het te bevorderen.
Zoals gewoonlijk legt Matteüs een verband met de grote Joodse profeet Jesaja 42.1-4. De koning wordt dienaar om het volk het goede nieuws te verkondigen. Wij herkennen de Drie-eenheid in het citaat van Jesaja: de Vader die spreekt, de dienaar Jezus en de heilige Geest.
Matteüs richt zich tot Joden en weet dat deze argumenten hen kunnen overtuigen, terwijl Marcus, die zich tot Grieken en niet-Joden richt, deze redenering heeft weggelaten.
De Messias Jezus verkondigt de boodschap van het heil en geneest veel zieken. Hij draagt hun op er terughoudend over te spreken, zodat de menigte niet uitsluitend komt om een zegen te ontvangen, die toch tijdelijk is, ten koste van eeuwige genade.
Marcus vermeldt dat de menigte uit de verschillende streken van Israël komt. De bekendheid van de Messias Jezus reikt ver buiten Judea en Galilea. Deze roem zal de jaloezie en haat van de versterken. Zij moeten immers vaststellen dat het volk zich niet tot hen, de wettige vertegenwoordigers van de wet van Mozes, wendt, maar door deze nieuwe Meester wordt aangetrokken. De dienst van Johannes de Doper had de werking van hun instelling al verstoord, maar nu neemt alles afmetingen aan die niemand had kunnen bedenken.