Het verslag van de opwekking van Lazarus in Johannes 11.1-44 vermeldt niet precies waar Jezus, de Messias, zich bevond toen hij het bericht over de ziekte van Lazarus ontving. Andere aanwijzingen in het Evangelie van Johannes en in de synoptische evangeliën geven ons echter wel enig inzicht in de verplaatsingen van Jezus, de Messias, in deze periode van zijn bediening.
Aanwijzingen uit de context
Waarschijnlijke plaats:
Vers Johannes 10.40 vermeldt dat Jezus, de Messias, zich had teruggetrokken „aan de overzijde van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst gedoopt had”. Die plaats is waarschijnlijk Betabara, of, volgens sommige handschriften, Betanië aan de overzijde van de Jordaan. Daar bevindt hij zich wanneer hij het bericht over de ziekte van Lazarus ontvangt.
Reis naar Betanië:
Na het bericht te hebben ontvangen blijft Jezus, de Messias, nog twee dagen op de plaats waar hij was, voordat hij besluit naar Judea terug te keren. Dan zegt hij tegen zijn discipelen dat zij naar Judea moeten terugkeren (Johannes 11.6-7).
Deze aanwijzingen doen vermoeden dat Jezus, de Messias, zich waarschijnlijk aan de overzijde van de Jordaan bevond, in het gebied waar Johannes de Doper had gedoopt, voordat hij naar Betanië ging om het wonder van de opwekking van Lazarus te verrichten. Hij bevond zich dus op een dagreis afstand.