-
PER158
Het oordeel over de farizeeën
De perikoop PER158 analyseert de reactie van de farizeeën op de wonderen van Jezus in Kafarnaüm (Mt 9.33-34). Terwijl de menigte een goddelijk werk erkent, schrijven de farizeeën de daden van Jezus toe aan de duivel. Hun afwijzing is welbewust: Jezus aanvaarden zou betekenen dat ze hun voorrechten verliezen. Toch zullen sommigen, zoals Nikodemus, Jozef van Arimatea en Saulus van Tarsus, ervoor kiezen hem te volgen. De genezen stomme gaat daarentegen vol vreugde en dankbaarheid weg.
Handelingen 5.34-39 (De Heilige Schrift 1917) :Maar een zeker Farizeer stond op in den raad, met name Gamaliel, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.En hij zeide tot hen: Gij Israelietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen.Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.Na hem stond op Judas, de Galileer in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.De Heilige Schrift 1917, publiek domein — tekst: eBible.org