Hier volgen enkele voorbeelden van passages die in de Bijbel aan de (J) worden toegeschreven. Deze voorbeelden komen uit de , de eerste vijf boeken van de Bijbel, waarin de verondersteld wordt overheersend te zijn:
Genesis 2.4-25: de schepping van man en vrouw. Deze passage gebruikt de goddelijke naam Jahweh God en beschrijft Gods handelen op antropomorfe wijze, bijvoorbeeld het vormen van de mens uit stof en het planten van de hof van Eden.
Genesis 3: het verhaal van de zondeval van de mens. Ook deze passage gebruikt de naam Jahweh God en presenteert God op antropomorfe wijze, rechtstreeks sprekend met Adam en Eva.
Genesis 4.1-16: het verhaal van Kaïn en Abel. Het gebruikt de goddelijke naam Jahweh en beschrijft een rechtstreekse omgang tussen God en Kaïn.
Genesis 6.1-8: de „zonen van God” en de „dochters van de mensen”, evenals Gods besluit om de menselijke levensduur te verkorten en de zondvloed te zenden. Deze passage gebruikt de naam Jahweh.
Genesis 7.1-5: een deel van het verhaal van de zondvloed, waarin God (Jahweh) Noach specifieke instructies geeft.
Exodus 3.1-15: de roeping van Mozes bij de brandende braamstruik. Deze passage is beroemd om de openbaring van de goddelijke naam Jahweh.
Deze voorbeelden zijn gebaseerd op de analyse van de stilistische en theologische verschillen tussen de teksten. De precieze toewijzing kan variëren naargelang de interpretaties van de onderzoekers.