Abram woont in Mesopotamië, waar veel goden worden vereerd. De mensen, die de krachten van de natuur niet begrijpen, noemen ze goden.
Er is een god voor de zon, een voor de maan, een voor de zee, enzovoort. In sommige wanhopige gevallen offerden ze zelfs mensen, soms zelfs hun eigen kinderen, in de hoop zo een gunstige reactie van hen te krijgen!
Abram is doordrenkt van deze gebruiken, die in zijn ogen normaal zijn geworden. De openbaring van een nieuwe God is dus geen verrassing voor hem. Toch zal hij worden geconfronteerd met iets heel bijzonders: één enige God.
Deze God is geen nieuwkomer op het wereldtoneel, er weer een bij! Hij maakt zich bekend als de Enige, de Schepper van de aarde en van de mensen. Hij, en Hij alleen, is de oorsprong van alles wat Abram kan zien en aanraken.
Zo wordt Abram geconfronteerd met een werkelijkheid die al zijn geestelijke kennis ter discussie stelt en haar tot de rang van legenden degradeert.
Abram ontdekt God en brengt zijn gezin en zijn nakomelingen tot deze kennis. Hij onderwerpt zich aan deze God en wordt zo een voorbeeld voor alle toekomstige generaties.