PER325

Het afscheidsgebed: Jezus de Messias bidt voor zichzelf

Dit artikel richt zich op het afscheidsgebed van Jezus in het Evangelie naar Johannes. Voor zijn kruisiging bidt hij volgens het goddelijke plan hardop voor zijn leerlingen. De scène speelt zich af in Jeruzalem en toont de eenheid tussen Jezus en God, een sterk getuigenis om het geloof van de leerlingen te versterken. Dit gebed benadrukt dat Jezus zich bewust is van de komende gebeurtenissen en dat hij zich inzet voor zijn verlossende opdracht.

9 min afscheidsgebed Jezus kruisiging Johannes 12 verzen 5 boeken

Naslag

Bijbelteksten

Matteüs
Mattheüs (De Heilige Schrift 1917) niet vermeld in het boek
Marcus
Markus (De Heilige Schrift 1917) niet vermeld in het boek
Lucas
Lukas (De Heilige Schrift 1917) niet vermeld in het boek
Johannes
Johannes 16.5-33 (De Heilige Schrift 1917)

En nu ga Ik heen tot Dengene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij henen?

Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft de droefheid uw hart vervuld.

Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.

En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:

Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;

En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien;

En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.

Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen.

Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.

Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.

Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien, want Ik ga heen tot den Vader.

Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot den Vader?

Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.

Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat Ik gezegd heb: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien, en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien?

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.

Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.

En gij dan hebt nu wel droefheid; maar Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.

En in dien dag zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.

Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.

Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen.

In dien dag zult gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal;

Want de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan.

Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader.

Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, en zegt geen gelijkenis.

Nu weten wij, dat Gij alle dingen weet, en Gij hebt niet van node, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt.

Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu?

Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.

Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Technische details

Jaar 33

Plaats: De stad Jeruzalem, het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus

Datum: vrijdag 1 april, heel vroeg in de ochtend

Werkwijze: We volgen nu Johannes

Opmerking over de werkwijze: Johannes is de enige die deze laatste onderrichtingen van de Meester optekent

Kaart van Jeruzalem en omgeving
Staafdiagram vrijdag

De Messias Jezus troost zijn leerlingen en vrienden nadat hij over vervolgingen heeft gesproken.

Chronologische details, volgens onze conclusies:

_3 Het huis is volgens ons dat van Maria, de moeder van Johannes, bijgenaamd Marcus. Handelingen 12.12.

_4 De paasmaaltijd begint op donderdagavond, na 18 uur. Voor de Joden is het al vrijdag (Markus 14.17, Mattheüs 26.20, Lukas 22.14-18). Het is dus niet de officiële seder, die op vrijdagavond zal plaatsvinden Johannes 18.28.

_5 De maaltijd eindigt op vrijdagochtend vóór zonsopgang, tussen middernacht en 2.30 uur.

_6 Judas Iskariot is vertrokken vóór het einde van deze maaltijd. Johannes 13.30.

U kunt de volledige chronologie raadplegen in de studie ANN026 : Het uur van de kruisiging.

Commentaar:

Hier hebben we de bewoordingen van een gebed van de Messias Jezus tot zijn Vader, en Johannes was er rechtstreeks getuige van (Johannes 17.1). De scène speelt zich naar alle waarschijnlijkheid nog af in het huis van Maria, wat betekent dat de Meester, voordat hij dit huis verliet, hardop tot zijn Vader bad ten overstaan van zijn leerlingen.

Deze innigheid is niet gebruikelijk, want de Messias Jezus trok zich gewoonlijk terug om tot zijn Vader te bidden (Markus 1.35), maar hier wil hij dat zijn leerlingen horen en begrijpen wat er op het spel staat. De Messias Jezus is zich volledig bewust van de gebeurtenissen die gaan komen, hij kent de wil van de Vader en verklaart: „het uur is gekomen”, waarmee hij laat zien dat zijn weg past in het goddelijke plan dat al lang geleden is vastgesteld (Johannes 12.23).

Niets is toeval, alles is voorzien en georkestreerd volgens de wil van de Vader. De Messias Jezus maakt voor God de balans op van zijn werk en bevestigt dat hij de opdracht die hem is toevertrouwd heeft volbracht (Johannes 17.4); hij moet die nu ten einde brengen door de offerande van zijn leven.

De sleutel om deze laatste woorden te begrijpen ligt in de geschiedenis die zich voor de ogen van de leerlingen zal afspelen, want wat zij gaan meemaken, zal hen in staat stellen zich te herinneren en te begrijpen dat hun Meester alles van tevoren wist en dat niets hem ontging (Johannes 13.19).

Zo wordt dit gebed voor hen een kostbaar getuigenis, dat licht werpt op de gebeurtenissen van het lijden en de volmaakte eenheid tussen de Zoon en de Vader bevestigt.