PER301

De eschatologische rede op de Olijfberg

Analyse van de eschatologische rede van Jezus op de Olijfberg, gebaseerd op de evangeliën. Jezus spreekt over de verwoesting van de tempel en de komst van de eindtijd, waarmee hij zijn profetische gaven en de voortzetting van zijn zending na de kruisiging laat zien. Bedoeld voor lezers die hun theologisch inzicht willen verdiepen.

7 min eschatologische rede Olijfberg Jezus 8 verzen 4 boeken

Naslag

Bijbelteksten

Matteüs
Mattheüs 24.1-31 (De Heilige Schrift 1917)

En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.

En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?

En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.

Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.

En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.

Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.

Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.

En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.

En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.

En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.

Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.

Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)

Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen;

Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;

En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.

Maar wee den bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen!

Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een .

Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.

En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.

Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.

Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.

Ziet, Ik heb het u voorzegd!

Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.

Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.

Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.

En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.

En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.

Marcus
Markus 13.1-28 (De Heilige Schrift 1917)

En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!

En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen:

Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen allen voleindigd zullen worden?

En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.

Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden.

En wanneer gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet.

Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten.

Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.

En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.

Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.

En de ene broeder zal den anderen overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.

En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniel gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vlieden op de bergen.

En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.

En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.

Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!

Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.

Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.

En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.

En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.

Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.

Maar gijlieden ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!

Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.

En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.

En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.

En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.

Lucas
Lukas 21.5-24 (De Heilige Schrift 1917)

En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:

Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.

En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?

En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.

En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.

Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.

En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.

Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.

En dit zal u overkomen tot een getuigenis.

Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;

Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.

En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.

En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil.

Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.

Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.

Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.

Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.

Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.

Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.

En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.

Technische details

Jaar 33

Plaats: De tegenover Jeruzalem

Datum: woensdag 30 maart van het jaar 33, 's avonds

Werkwijze: We schakelen over op Marcus

Opmerking bij de werkwijze: Ook Matteüs en Lucas geven deze rede weer

Kaart van Jeruzalem en omgeving
Staafdiagram woensdag

De Messias Jezus houdt op de een rede over de eindtijd.

Commentaren

Matteüs benadrukt dat de Meester deze rede in besloten kring hield (Mattheüs 24.3). De menigte, die in Jeruzalem was gebleven, dacht ongetwijfeld dat hij gewoon naar Betanië terugkeerde en dat er niets bijzonders zou gebeuren.

Marcus noemt van zijn kant de namen van degenen die de vraag stelden: Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas (Markus 13.3). Dat sluit niet uit dat anderen het antwoord hoorden. De rede vindt dus plaats in een intieme en rustige setting, ver van openbare debatten en confrontaties met de religieuze autoriteiten.

Het is het zicht op de prachtige tempel van Herodes dat het gesprek en de reeks vragen van de vier discipelen uitlokt. De Messias Jezus kondigt duidelijk moeilijke tijden aan en de verwoesting van dit schitterende gebouw, dat volgens hem geen echt huis van gebed meer was (Markus 11.17). De discipelen verbinden deze aankondiging dan met de komst van de Messias en het einde van de tijd, en begrijpen daarbij beter het vooruitzicht van de verwoesting van de tempel dan dat van zijn glorievolle komst.

Om de betekenis van deze woorden te begrijpen, moeten twee dingen in herinnering worden gebracht: ten eerste hebben de kruisiging en de opstanding nog niet plaatsgevonden; de discipelen kunnen zich de overwinning van de Meester op de dood nog maar moeilijk voorstellen.

Ten tweede zijn deze verslagen na de gebeurtenissen opgeschreven, in het licht van wat de schrijvers hadden meegemaakt en later hadden begrepen. De eschatologische uitspraken van de Messias Jezus worden dus herlezen door het prisma van de geschiedenis en van het ontluikende geloof.

Het argument dat deze teksten pas na de verwoesting van de tempel in het jaar 70 zijn geschreven en niet op een profetisch woord teruggaan, lijkt ongegrond gezien de vele krachtige daden van de Messias Jezus en zijn kennis van de harten (Johannes 2.24-25).

Ook al gaat het ons menselijk verstand te boven, de Meester had het vermogen om bepaalde toekomstige gebeurtenissen waar te nemen en de gedachten van zijn gesprekspartners te doorgronden. Zo beperkt zijn rede zich niet tot de aankondiging van de ondergang van de tempel; ze omvat ook de belofte van zijn terugkeer en het vooruitzicht van het einde van de tijd (Mattheüs 24.30-31).