De (P) onderscheidt zich door haar aandacht voor ritueel, religieuze wetten, genealogieën en een formele, gestructureerde stijl. Ze gebruikt in de eerste hoofdstukken vaak de goddelijke naam Elohim, daarna Jahwe vanaf Exodus 6. Hier volgen enkele voorbeelden van passages die in de Bijbel aan de worden toegeschreven:
Genesis 1.1-2: het scheppingsverhaal: Deze passage beschrijft de schepping van de wereld in zeven dagen. Ze wordt gekenmerkt door een formele, herhalende structuur, met zinnen als „En God zei“ en „Er was een avond en er was een morgen“.
Genesis 5: genealogie van Adam tot Noach: Een geslachtslijst met de nakomelingen van Adam tot Noach. Dit type genealogie is typerend voor de .
Genesis 17: het verbond van de besnijdenis: Deze passage beschrijft het verbond van God met Abraham, gekenmerkt door de praktijk van de besnijdenis. De formele stijl en de rituele details zijn kenmerkend voor de .
Exodus 25-31: instructies voor de bouw van de tabernakel: Deze hoofdstukken geven gedetailleerde instructies voor de bouw van de tabernakel, de priesterkleding en de rituelen. De aandacht voor detail en de nadruk op het ritueel zijn typerend voor de .
Leviticus, het hele boek: Leviticus wordt voornamelijk aan de toegeschreven. Het bevat wetten over de offers, de rituele reinheid, de heilige dagen en diverse voorschriften voor de priesters en de eredienst.
Numberi 1-10: volkstellingen en organisatie van het kamp: Deze hoofdstukken beschrijven de tellingen van de stammen van Israël, de indeling van het kamp rond de tabernakel en de verantwoordelijkheden van de Levieten.
Numberi 16-17: opstand van Korach: Dit verhaal benadrukt het belang van het priesterlijk gezag en van de rituelen. Het laat zien hoe God het priesterschap van Aäron en zijn nakomelingen bevestigt.
Deze voorbeelden illustreren de aandacht van de voor religieuze structuren, rituelen en genealogieën, evenals haar kenmerkende stijl.